ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en weigering verder ziekengeld na herbeoordeling
Appellante was sinds 1999 volledig arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2006 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast die resulteerden in het intrekken van haar WAO-uitkering per 7 november 2006. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens meldde zij zich ziek vanuit de WW, maar werd per 15 oktober 2007 hersteld verklaard voor de WAO-functies, waarna het ziekengeld werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen beide besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder een postnatale depressie, migraine en misselijkheid, werden onderschat en dat zij niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De Raad volgde echter het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die de beperkingen bevestigden en concludeerden dat appellante geschikt was voor ten minste één WAO-functie.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek en de arbeidsdeskundige beoordelingen voldoende onderbouwing boden voor de besluiten. De Raad zag geen aanleiding voor twijfel aan de medische en arbeidskundige conclusies en bevestigde daarom de aangevallen uitspraken. De vraag of appellante geschikt was voor de specifieke functie van soldering technician bleef daarmee buiten beschouwing.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de weigering van verder ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing van appellante.