ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering ziekengeld wegens schending hoorplicht met instandhouding rechtsgevolgen
Appellante, arbeidsongeschikt wegens klachten aan armen en schouders, meldde zich ziek en vroeg ziekengeld aan. Het UWV weigerde dit op grond van medisch onderzoek dat geen toename van beperkingen vaststelde. Appellante maakte bezwaar en werd medisch onderzocht, waarbij de bezwaarverzekeringsarts de eerdere conclusies onderschreef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante in materiële zin was gehoord, ondanks dat haar gemachtigde niet was uitgenodigd voor een hoorzitting.
In hoger beroep betoogde appellante dat de hoorplicht was geschonden omdat zij niet was uitgenodigd voor een hoorzitting en haar gemachtigde helemaal niet. De Raad stelde vast dat de datum 6 juli 2007 in het rapport een verschrijving was en bevestigde dat het medisch onderzoek als hoorzitting kan dienen mits aan wettelijke eisen is voldaan.
De Raad oordeelde dat het UWV de hoorplicht had geschonden door alleen een medisch onderzoek te plannen zonder hoorzitting en zonder uitnodiging van de gemachtigde. Hierdoor was het besluit vernietigbaar. Niettemin achtte de Raad de medische gronden voldoende en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Er was geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.