[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2008, 07/1861
(hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 september 2009
Appellant heeft bij brief van 26 mei 2008 hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 augustus 2008 heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, zich als gemachtigde gesteld en heeft hij de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van
14 augustus 2008 van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink.
Bij brief van 28 juli 2009 zijn namens appellant aanvullende gronden ingediend.
Bij faxbericht van 4 augustus 2009 heeft het Uwv een aanvullend rapport van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 28 juli 2009 en een aanvullend rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw van 4 augustus 2009 ingediend.
Hierop is namens appellant gereageerd bij brief van 6 augustus 2009.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. M.K. Dekker.
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als rioolbeheerder en is voor die werkzaamheden op 1 november 2004 uitgevallen wegens huidklachten en klachten aan de luchtwegen.
1.2. Bij besluit van 22 november 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 6 november 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.
2. Bij besluit van 8 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2006 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Vanwege de omstandigheid dat eerst in beroep met het arbeidskundige rapport van 15 augustus 2007 de arbeidskundige grondslag voldoende is gemotiveerd, heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank vervolgens geheel in stand gelaten, nu naar haar oordeel het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, het besluit op een voldoende medische grondslag berust en wat betreft de arbeidskundige grondslag geen aanknopingspunten werden gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht ongeschikt te achten.
4. In hoger beroep - dat zich richt tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit - heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellant is van oordeel dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Ook is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Dientengevolge acht appellant zich niet in staat om de geduide functies te verrichten.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans dossierstudie heeft verricht, waarbij zij kennis heeft genomen van de in de bezwaarfase door appellant overgelegde medische informatie. Uit deze gegevens en de overige in het dossier aanwezige medische informatie blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Voorts heeft appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding. Gelet op het voorgaande onderschrijft ook de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit.
5.3.1. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met de arbeidskundige rapporten van 4 mei 2007 en 15 augustus 2007 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), inpakker (sbc-code 11190) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellant.
5.3.2. Wat betreft de passendheid van de geduide functies met betrekking tot de daarin aan de beheersing van de Nederlandse taal gestelde eisen, overweegt de Raad in de eerste plaats - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting - dat een beperkte schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal niet is aan te merken als een uit ziekte of gebrek voortkomende beperking en dus niet thuishoort in de FML. Voorts blijkt uit de functiebeschrijving in het Resultaat Functiebeoordeling dat het niveau waarop en de mate waarin appellant Nederlands moet kunnen lezen en schrijven voor het uitoefenen van de geduide functies zeer beperkt is. In het licht hiervan heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het uitoefenen van de geduide functies. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking, zoals ook is aangegeven in het aanvullende arbeidskundige rapport van 4 augustus 2009, dat appellant in Marokko basis- en vervolgonderwijs heeft gehad, dat hij beschikt over rijbewijs B en dat hij in Nederland een cursus basisveiligheid VCA (B-VCA) heeft gevolgd.
5.3.3. Wat betreft de toelichting van de verzekeringsarts op het item 1.9.6 (voorspelbare werksituatie) dat appellant ‘echter wel weinig initiatiefrijk is’, overweegt de Raad dat, voor zover dit al als een beperkende toelichting moet worden aangemerkt, uit het arbeidskundige rapport van 4 mei 2007 blijkt dat met deze beperking bij het beoordelen van de medische geschiktheid van de geduide functies wel rekening is gehouden.
5.3.4. De Raad laat in het midden wat er zij van de namens appellant naar voren gebrachte grief inzake het vóórkomen van wisseldiensten in de functie machinebediende kunststofverwerkende industrie (sbc-code 271092), nu deze functie als reservefunctie is geduid en derhalve niet aan de schatting ten grondslag is gelegd.
5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.
(get.) M.A. van Amerongen.