Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8002

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2933 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag bevestigd

Appellante, voormalig medewerkster in een koffieshop, vroeg een WIA-uitkering aan wegens diverse lichamelijke en psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsarts Cornelius werd vastgesteld dat er geen ernstige persoonlijkheidsstoornis was die beperkingen rechtvaardigde. Het UWV wees de uitkering af en dit besluit werd in bezwaar en eerste aanleg bevestigd.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, met name over de medische grondslag en het ontbreken van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in het dossier. De Raad stelde vast dat de psychosociale voorgeschiedenis onvoldoende was om beperkingen af te leiden en dat de FML geen verborgen beperkingen bevatte.

Hoewel het UWV niet met zekerheid kon bevestigen dat alle toelichtingen in de FML op de Kritische FML (KFML) verschenen, zag de Raad geen aanleiding het besluit te wijzigen. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten omdat appellante in twee instanties moest procederen om de volledigheid van de FML te kunnen controleren.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten van € 1.288,-.

Uitspraak

08/2933 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 april 2008, 07/1066 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Boersema van 28 oktober 2008. Desgevraagd heeft het Uwv op 1 juli 2009 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 januari 2007 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.
Appellante is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante werkte voorheen als medewerkster koffieshop en heeft zich met ingang van 26 november 2004 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet als gevolg van diverse lichamelijke en psychische klachten.
2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 18 december 2006 onderzocht door de verzekeringsarts L.R. Cornelius. In een rapport van 17 januari 2007 vermeldde Cornelius dat appellante een psychosociaal belaste voorgeschiedenis heeft, dat de actuele gezondheidsklacht een bekkenprobleem is en dat in het dagverhaal geen belemmeringen in het dagelijks functioneren naar voren komen. Cornelius achtte het in verband met de bekkenpijn plausibel dat de mobiliteit van appellante enigszins beperkt is in die zin dat appellante aangewezen is op werk zonder langdurig lopen, staan en zitten en dat wisselend in beweging zijn voor appellante het beste is. Cornelius zag geen evidente aanwijzingen voor een (borderline) persoonlijkheidsstoornis, maar achtte een zekere kwetsbaarheid wel aannemelijk. Beperkingen hiervoor nam Cornelius niet aan omdat dit voordien kennelijk nooit tot ziekteuitval heeft geleid. De beperkingen vermeldde Cornelius in zijn rapport en in een Kritische FML (KFML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding geen verlies aan verdienvermogen vastgesteld. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 31 januari 2007 vast dat appellante met ingang van 16 maart 2007 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet WIA.
3. In de bezwaarprocedure, waarin namens appellante is gesteld dat het onbegrijpelijk is dat in verband met haar medische voorgeschiedenis geen beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangenomen, vermeldde bezwaarverzekeringsarts Boersema in een rapport van 31 augustus 2007 dat hij telefonisch contact heeft gehad met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV). Deze deelde mee dat in het dossier van de huisarts weinig was vermeld over de belaste voorgeschiedenis met opgroeien in kindertehuizen, dat er nooit een diagnose is gesteld, dat er mogelijk borderline trekken zijn, dat appellante het ondanks haar hechtingsprobleem goed doet in haar moederrol, dat het werken in de horeca goed ging en dat er meer psychosociaal dan psychiatrisch onvermogen is. Volgens Boersema zijn de gegevens van de SPV niet in strijd met de gegevens en bevindingen van Cornelius. Hij achtte in strikt medische zin de inschatting van Cornelius dat er geen evidente aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis, verdedigbaar en zag, anders dan mogelijk in geval van een ernstige persoonlijkheidsstoornis, in de vermelde trekken in de persoonlijkheid geen aanleiding beperkingen in verband met ziekte of gebrek te stellen. Vervolgens liet de bezwaararbeidsdeskundige blijkens haar rapport van 10 september 2009 een reservefunctie vallen en gaf zij een uitgebreide toelichting op de signaleringen in de resterende functies. Hierna verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 31 januari 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 18 september 2007 ongegrond.
4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 18 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.
4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij overwoog dat Boersema voldoende adequaat heeft uiteengezet waarom hij geen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aannam en dat geen medische informatie is overgelegd op grond waarvan de bevindingen van Cornelius en Boersema voor onjuist zouden moeten worden gehouden. De medische geschiktheid van de geduide functies was volgens de rechtbank in het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige volgens de eisen van de jurisprudentie voldoende inzichtelijk en verifieerbaar toegelicht.
4.3. De rechtbank overwoog inzake het ontbreken van de FML in het dossier dat inzending daarvan wel op de weg van het Uwv had gelegen maar dat zij daaraan geen gevolgen zou verbinden omdat de KFML zich wel bij de stukken bevond. Volgens de rechtbank was het voor appellante duidelijk welke beperkingen waren gesteld en was zij door het ontbreken van de FML niet in haar belangen geschaad. Indien er al verborgen beperkingen zouden zijn, zouden deze ook uit de KFML blijken.
5. In hoger beroep zijn namens appellante de gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en in verband met het ontbreken in het dossier van de FML om reden van het mogelijk voorkomen daarop van verborgen beperkingen, in essentie herhaald.
6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad stelt vast dat de voorgeschiedenis van appellante, hoezeer deze ook belast is, op zich onvoldoende grondslag biedt voor het standpunt van haar gemachtigde dat daaruit redelijkerwijs psychische beperkingen kunnen worden afgeleid. De Raad wijst in dit verband op de bespreking door Boersema van de informatie van de SPV en op het feit dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij appellante geen ernstige persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld welke de grondslag zou kunnen vormen voor het aannemen van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Met Boersema acht de Raad voor het stellen van beperkingen de vaststelling, in lijn met de informatie van de SPV, dat mogelijk sprake is van borderline trekken onvoldoende grondslag. Daarbij neemt de Raad tevens met de rechtbank in aanmerking dat geen andere medische gegevens voorhanden zijn op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de bevindingen bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist zijn. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige. De Raad ziet daarvoor ook geen aanleiding in de verwijzing door appellante naar zijn uitspraak van 24 juni 2009 (LJN BJ1299). Van een vergelijkbaar geval is immers reeds geen sprake omdat, zoals de Raad uit deze uitspraak afleidt, het in dat geval - anders dan in het onderhavige geval - ging om de nauwe samenhang tussen de toenemend manifest geworden persoonlijkheidsstructuur sinds een ongeval en de gediagnosticeerde angst- en depressieve stoornis.
6.2.1. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd door de Raad alsnog de FML overgelegd. Uit die FML blijkt dat daarin in dit geval geen verborgen beperkingen zijn opgenomen. Gelet hierop ziet ook de Raad geen aanleiding gevolgen te verbinden voor het bestreden besluit aan het niet eerder inzenden of bijvoegen van de FML.
6.2.2. Ter zitting van de Raad kon de gemachtigde van het Uwv - anders dan in het verweerschrift in eerste aanleg is verwoord - evenwel niet met zekerheid stellen of alle eventuele toelichtingen op de normaalwaarden in de FML daadwerkelijk op de KFML verschijnen. Voorts bood het verslag van de zitting van de rechtbank op dit punt onvoldoende duidelijkheid, nu daarin alleen is vermeld dat zodra een toelichting op een beperking is gegeven deze ook op de KFML verschijnt.
6.2.3. Nu appellante in twee instanties heeft moeten procederen om uiteindelijk te kunnen controleren of de FML verborgen beperkingen bevat, ziet de Raad in dit specifieke geval aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding aan appellante van de proceskosten in beroep en in hoger beroep, welke voor beide instanties worden begroot op € 644,- elk, in totaal derhalve op € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen wat betreft het hoger beroep aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.J. van der Torn.
TM