ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-947 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet Amber
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant had een WAO-uitkering aangevraagd maar het Uwv weigerde deze toe te kennen omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was na afloop van de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De medische beoordeling toonde beperkingen aan zoals rugklachten en slaapproblemen, maar deze waren niet zodanig dat zwaar rugbelastend werk niet mogelijk was. De arbeidskundige rapportage concludeerde dat appellant geschikt was voor passende werkzaamheden bij zijn werkgever, wat een loonverlies van minder dan 15% betekent.

De Raad onderzocht ook de toepasselijkheid van de Wet Amber en concludeerde dat deze niet van toepassing was omdat de ziekmelding een andere oorzaak had dan eerdere beoordelingen. De juiste maatmanfunctie en het juiste maatmaninkomen werden vastgesteld, en er was geen sprake van relevant verlies aan verdiencapaciteit.

De Raad vond geen gronden om het besluit te vernietigen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werden geen bijzondere omstandigheden gevonden die afweken van de standaard uitgangspunten bij arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/947 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], woonplaats onbekend (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 december 2006, 05/2260
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv bij brief van 9 februari 2009 in de gelegenheid gesteld nader medisch en arbeidskundig onderzoek te verrichten.
Het Uwv heeft in reactie daarop bij brieven van 19 maart 2009 en 29 april 2009 rapportages van een bezwaarverzekeringsarts respectievelijk een bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 juli 2009, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1.Bij besluit van 7 december 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 21 oktober 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
1.2. Bij besluit van 22 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 7 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, zich verenigend met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat de geduide functies niet passend zijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellant, die op 23 oktober 2003 was uitgevallen met onder meer rugklachten en slaapproblematiek, op 3 november 2004 is onderzocht door de verzekeringsarts M.E. Bijleveld. Op basis van zijn onderzoek, dossierstudie en informatie van derden komt Bijleveld in zijn rapportage van 4 november 2004 tot de conclusie dat appellant beperkingen heeft, op grond waarvan het raadzaam is om zwaar rugbelastend en schouderbelastend werk te vermijden en geen werk aan te bieden waar de nodige productiedruk op zit. De neiging van appellant om nogal te piekeren over zijn gezondheid en toekomst maakt hem mogelijk minder alert en daardoor minder geschikt voor werken op risicovolle plekken. Met inachtnening van het vorenstaande heeft Bijleveld een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts R. Rombout heeft de op 1 april 2005 gehouden hoorzitting bijgewoond en zich, blijkens zijn rapportage van 24 juni 2005, mede na kennis te hebben genomen van de namens appellant overgelegde informatie van de zogenoemde behandelende sector, achter de opvattingen van de primaire verzekeringsarts gesteld.
4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot in haar rapportage van 7 september 2005 in de eerste plaats geen aanleiding heeft gezien op arbeidskundige gronden af te wijken van de conclusie van het primaire behandelteam dat appellant geschikt kan worden geacht voor passende werkzaamheden bij zijn eigen werkgever, hetgeen een loonverlies van minder dan 15% betekent, en vervolgens een toelichting heeft gegeven op de door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem getoonde en op het zogeheten Resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen en gemotiveerd heeft aangegeven waarom appellants functionele mogelijkheden al dan niet worden overschreden, hetgeen indeling in de theoretische arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% rechtvaardigt.
4.3. Van de zijde van het Uwv is tijdens de zitting van de Raad op 14 januari 2009 betoogd dat er aanleiding bestaat nader onderzoek te doen in verband met de eventuele toepasselijkheid van de Wet Amber ten aanzien van appellant en tevens in verband met onduidelijkheden met betrekking tot de inhoud van de maatgevende arbeid van appellant en is verzocht om heropening van het onderzoek.
4.4. De bezwaarverzekeringsarts Rombout heeft in het nadien door het Uwv verrichtte onderzoek blijkens zijn rapportage van 4 februari 2009 geconcludeerd dat de Wet Amber niet op de ziekmelding van appellant op 23 oktober 2003 van toepassing is, gelet op het feit dat aan die ziekmelding een andere oorzaak ten grondslag ligt dan waarvan sprake was bij een eerdere beoordeling in het kader van de WAO.
4.5. De bezwaararbeidsdeskundige A. Goumare heeft vervolgens in zijn rapportage van 28 april 2009 overwogen dat de maatman van appellant op de in geding zijnde datum de medewerker voorbewerking emailleren is, omdat appellant deze functie laatstelijk voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid vervulde, terwijl de maatman voorheen de medewerker slijper was. Appellant is, aldus Goumare, gelet op het feit dat er in de maatmanfunctie medewerker voorbewerking emailleren geen sprake is van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud en die functie ook overigens geen zwaardere belasting kent dan vermeld in de voor appellant geldende FML, geschikt te achten voor zijn maatgevende arbeid. Voorts wijst Goumare er op dat de loonwaarde van een slijper en medewerker voorbewerking emailleren ten tijde in geding identiek was. De Raad is van oordeel dat bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van de juiste maatmanarbeid en het juiste maatmaninkomen is uitgegaan. Zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 14 juni 1994, LJN ZB2991, heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Hiervan is in dit geval geen sprake. Hieruit volgt dat er ten tijde in geding ten aanzien van appellant geen sprake was van een relevant verlies aan verdiencapaciteit.
5. Het in 4.1 tot en met 4.5 overwogene betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) C. de Blaeij.
KR