ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens herstel voor geselecteerde functies
Appellante, voorheen werkzaam als restaurantmedewerkster, viel sinds 1998 uit wegens chronische vermoeidheidsklachten en ontving een WAO-uitkering die in 2005 werd ingetrokken na herbeoordeling. Zij meldde zich meerdere keren ziek vanuit een WW-situatie, laatstelijk in december 2006 met klachten van CVS. De verzekeringsarts verklaarde haar per 1 augustus 2007 hersteld voor de geselecteerde functies, waarna het Uwv het recht op ziekengeld beëindigde.
Appellante maakte bezwaar, waarbij ook rugklachten werden genoemd, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door een bezwaarverzekeringsarts die oordeelde dat de klachten reeds bekend waren en voldoende waren meegewogen in de eerdere beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen had dan het Uwv aannam. De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld volgens artikel 19 Ziektewet Pro geldt bij ongeschiktheid voor de laatstelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies bij de WAO-beoordeling. De medische rapportages en aanvullende informatie, waaronder brieven van behandelaars, bevatten geen nieuwe gegevens die aanleiding geven tot een andere beoordeling.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht het recht op ziekengeld per 1 augustus 2007 heeft beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 1 augustus 2007 wordt bevestigd als beëindigd.