ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering in bezwaarfase
Appellante, die sinds 1999 vanwege rugklachten niet meer als tuinbouwmedewerkster werkt, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Het UWV trok in 2005 haar uitkering in, omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende mogelijkheden had om passend werk te verrichten met minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het medische oordeel overtuigend is onderbouwd en dat rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. Twee functies werden vervangen door passende alternatieven. De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld op ruim 11%.
De Raad stelt echter vast dat het besluit pas in de hoger beroepsfase voldoende is gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven bestaan. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering in bezwaar, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.