ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6714

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-312 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning Wajong-uitkering met ingangsdatum één jaar voor aanvraag

Appellante heeft bij het UWV een Wajong-uitkering aangevraagd naar aanleiding van een diagnose PDD-NOS. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 12 mei 2005, één jaar voor de aanvraagdatum van 12 mei 2006, en gaf een waarschuwing wegens te late aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep betwist appellante alleen de toekenning van de uitkering, niet de waarschuwing. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vastgestelde arbeidsbeperkingen zorgvuldig en juist zijn vastgesteld door verzekeringsartsen, mede op basis van medische rapportages en werkervaring. Appellante wordt geacht in deeltijd te kunnen werken met een verlies aan verdiencapaciteit van circa 46%.

De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de uitkering rechtvaardigen dan één jaar voor de aanvraag. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering ingaat één jaar voor de aanvraagdatum zonder bijzondere omstandigheden voor een eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

08/312 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 december 2007, 07/816 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 10 juli 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante, geboren [in] 1980, heeft het Uwv bij aanvraag gedateerd 21 april 2006, door het Uwv ontvangen op 12 mei 2006, verzocht haar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, nadat een psychiater bij haar de waarschijnlijkheidsdiagnose PDD-NOS had gesteld.
1.3. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het Uwv met ingang van 12 mei 2005, een jaar voor de datum van de aanvraag, aan appellante een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 20 september 2006 heeft het Uwv appellante in verband met de te late aanvraag een waarschuwing gegeven. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het waarschuwingsbesluit ongegrond verklaard en tegen het toekenningsbesluit gegrond, waarbij het Uwv de toekenningsdatum van de Wajong-uitkering heeft vastgesteld op 24 april 2005. Het Uwv meent dat er geen sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de uitkering vroeger kan ingaan dan een jaar voor de aanvraagdatum.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 20 februari 2007 zowel wat betreft de uitkering als wat betreft de waarschuwing ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard dat is gericht op de toekenning van de uitkering. Het hoger beroep is niet gericht tegen het oordeel omtrent de waarschuwing.
4.1. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben op basis van hun onderzoek, observatie en gesprek tijdens de hoorzitting arbeidsbeperkingen voor appellante opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 december 2006, waarbij zij van mening zijn dat appellante deze beperkingen ook had rond en na haar 17e verjaardag. Daarbij hebben zij de informatie van de GGZ psychiater T.F. Schreiber betrokken, alsmede onder andere een verslag van een persoonlijkheidsonderzoek van 29 januari 2004 en informatie van [naam bedrijf], waar appellante ten tijde van de beoordeling voor 20 uur per week werkzaam was. In de FML zijn voor appellante beperkingen opgenomen ten aanzien van haar persoonlijk en sociaal functioneren en is aangegeven dat zij gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken.
4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, noch aan de zorgvuldigheid waarmee deze zijn vastgesteld. De voorhanden informatie bood voldoende basis om tot een verantwoorde inschatting van de arbeidsmogelijkheden van appellante te komen en uit de aard van de vastgestelde beperkingen blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend, dat met de aanwijzingen van met name Schreiber rekening is gehouden. Dat de (bezwaar)verzekeringsartsen Schreiber niet hebben gevolgd in diens mening dat appellante niet in een reguliere setting kan werken, is naar het oordeel van de Raad ook voldoende gemotiveerd. De Raad kan zich voorts geheel vinden in hetgeen door de rechtbank is overwogen omtrent de invloed van de WSW beoordeling op de Wajong aanspraken van appellante, met name ook voor wat betreft het andere kader waarbinnen een WSW beoordeling plaats vindt.
4.3. Uitgaande van de vastgestelde beperkingen, moet appellante in staat worden geacht de haar geduide deeltijd functies uit te oefenen, waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat haar verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 46% bedraagt. Van de zijde van appellante zijn voorts geen arbeidskundige gronden aangevoerd.
4.4. De Raad kan zich tevens geheel vinden in de beslissing van de rechtbank dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de ingangsdatum van de Wajong uitkering vroeger dient te liggen dan een jaar voor de aanvraagdatum. De overwegingen van de rechtbank die aan deze beslissing ten grondslag liggen volgt de Raad geheel en de Raad volstaat dan ook met verwijzing naar de betreffende passages van de aangevallen uitspraak. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd vormt een herhaling van eerdere gronden, en behoeft dan ook verder geen bespreking.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
KR