ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6585

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4975 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 17 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening op grond van artikel 8:88 Awb wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft in mei 2008 een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2006. De Raad heeft het verzoek onderzocht en vastgesteld dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze voorwaarden vereisen dat de feiten of omstandigheden nieuw zijn, voor de uitspraak hebben plaatsgevonden, en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener.

Tijdens de zitting op 16 juli 2009 heeft verzoeker een dringend beroep op coulance gedaan, stellende dat bewijs niet meer geleverd kan worden en getuigen zijn overleden. De Raad oordeelt echter dat deze verklaring geen nieuwe feiten bevat die relevant zijn voor het verzoek om herziening. Het verzoek beoogt daarmee een hernieuwde discussie op basis van reeds bekende gegevens, hetgeen niet is toegestaan.

De Raad concludeert dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen en ziet geen aanleiding voor toekenning van proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door rechter Stevens in aanwezigheid van griffier Mos en is op 27 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die aan de cumulatieve voorwaarden voldoen.

Uitspraak

08/4975 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
Als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2006, nummer 05/5854 WUBO,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 27 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
In mei 2008 heeft appellant om herziening verzocht van eerder vermelde uitspraak van de Raad, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Verzoeker is verschenen met bijstand van [A.B.] en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
1.3. In hetgeen namens verzoeker bij het verzoek om herziening is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van Pro de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat namens verzoeker met het onderhavige verzoek is beoogd op basis van reeds bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.
1.4. Met betrekking tot de ter zitting gedane verklaring van [A.B.], waarbij hij een dringend beroep op coulance doet omdat bewijs niet meer te leveren is en getuigen zijn overleden, merkt de Raad op dat, daargelaten dat deze verklaring niets nieuws toevoegt aan de reeds bekende gegevens omtrent de oorlogservaringen van verzoeker, deze verklaring niet kan worden aangemerkt als feit of omstandigheid in de zin van artikel
8:88 van de Awb.
2. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
3. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD