ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6541
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek uitkering vervolgingsslachtoffers Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1929 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in 2003 een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn moeder door de Japanse bezetter gevangen was genomen en dat hij en zijn broers onder moeilijke omstandigheden waren opgevoed. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de wet. Eerder beroep werd ongegrond verklaard.
Appellant verzocht vervolgens om herziening van dit besluit met nieuwe feiten, waaronder vrijheidsberoving in het jongenskamp Sompok en excessief geweld bij de arrestatie van zijn moeder. Verweerster handhaafde haar afwijzing omdat deze nieuwe feiten niet door officiële bronnen werden bevestigd en de verklaringen over excessief geweld niet aannemelijk waren.
De Raad toetste terughoudend en concludeerde dat de nieuwe feiten onvoldoende waren onderbouwd, mede omdat appellant en zijn broers eerder geen melding hadden gemaakt van vrijheidsberoving. Ook de verklaring over excessief geweld werd afgewezen vanwege late indiening en inconsistenties. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.