ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- C.P.M. van der Kerkhof
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en verhoging WAZ-uitkering en maatmaninkomen zelfstandige
Appellant, een zelfstandig naaimachinehandelaar en -reparateur, meldde zich ziek op 4 februari 2002 wegens schouderklachten. Het UWV kende hem vanaf 3 februari 2003 een WAZ-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Bij besluit van 19 april 2004 werd deze uitkering met ingang van 10 april 2004 ingetrokken omdat appellant geschikt werd geacht voor passende arbeid met minder dan 25% verlies aan verdiencapaciteit.
Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking en tegen de vaststelling van het maatmaninkomen, dat gebaseerd was op de winst in de drie jaren voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Hij stelde dat de referteperiode niet representatief was vanwege eerdere schouderklachten en operaties. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen de intrekking af.
Tegelijkertijd verhoogde het UWV de WAZ-uitkering per 29 juli 2003 naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit werd aangevochten vanwege de vaststelling van het maatmaninkomen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV ten onrechte over het maatmaninkomen had geoordeeld, wat buiten de grondslag van het primaire besluit viel.
De Raad oordeelde dat het maatmaninkomen niet voor altijd vaststaat, maar dat in geval van 80-100% arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen irrelevant is voor de indeling. Het bezwaar tegen het besluit tot verhoging van de uitkering was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad verklaarde het bezwaar ongegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De intrekking van de uitkering per 10 april 2004 werd bevestigd.
Uitkomst: Intrekking WAZ-uitkering per 10 april 2004 bevestigd; bezwaar tegen verhoging uitkering ongegrond verklaard; UWV veroordeeld in proceskosten.