ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig melkmonsteropnemer, klaagde over nek-, schouder- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd gesteld, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidskundig rapport.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen onderschat waren, met name dat er geen urenbeperking was toegekend. De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige bevestigden echter het oordeel van het UWV. De rechtbank vernietigde het besluit omdat de arbeidskundige toelichting pas in de beroepsfase beschikbaar kwam, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Er is onvoldoende grond om te veronderstellen dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Medische stukken tonen geen ernstige ziekte die urenbeperking rechtvaardigt. De Raad bevestigt daarom de uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarmee het UWV-besluit in stand blijft.