ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens afwijzing arbeidsongeschiktheid door CNSS
Appellant, werkzaam als machinebediende, viel in 2000 uit wegens psychische klachten en kreeg vanaf 2002 een WW-uitkering. Tijdens een verblijf in Marokko in augustus 2005 meldde hij zich ziek bij de CNSS, die hem arbeidsongeschikt achtte van 26 augustus 2005 tot 21 augustus 2006. Het UWV onderzocht appellant in oktober 2006 en concludeerde dat er geen medische grond was voor arbeidsongeschiktheid vanaf die datum, hetgeen werd bevestigd in een besluit van november 2006 en gehandhaafd in maart 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medische onderzoek zorgvuldig was en het UWV op goede gronden het recht op ZW-uitkering had geweigerd. In hoger beroep herhaalt de Raad dat het oordeel van de CNSS in beginsel gevolgd dient te worden, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn om daarvan af te wijken. De Raad stelt vast dat de medische stukken en het onderzoek van het UWV, inclusief de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, voldoende duidelijke aanwijzingen bevatten om het oordeel van de CNSS te verwerpen.
De door appellant ingebrachte aanvullende stukken bevatten geen nieuwe of datumrelevante gegevens die het oordeel van het UWV kunnen weerleggen. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is openbaar gedaan op 19 augustus 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering vanaf 26 augustus 2005.