ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en beoordeling medische beperkingen door UWV
Appellante kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken door het UWV omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit bevestigde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende redenen waren om te twijfelen aan de vastgestelde medische beperkingen door het UWV. De Raad vond dat de beperkingen met betrekking tot het aantal werkuren, zitten, zitten tijdens het werk en knielen of hurken adequaat waren beoordeeld en gemotiveerd. De functies die appellante kon vervullen, overschreden haar belastbaarheid niet.
Wel stelde de Raad vast dat het UWV pas in hoger beroep een voldoende toelichting had gegeven op de schatting van de beperkingen, waardoor het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd werden. De Raad maakte echter gebruik van zijn bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven geheel in stand.