ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich ziek in februari 2005 met rug- en nekklachten. Het UWV weigerde op 14 december 2006 een WIA-uitkering toe te kennen per 5 februari 2007, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd geschat op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat, mede op basis van rapporten van behandelend artsen en het Instituut Psychosofia. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige grondslagen voldoende waren en de rapporten van Psychosofia onvoldoende gewicht hadden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en stelde dat de rechtbank haar taak had veronachtzaamd door geen eigen objectief medisch onderzoek te doen. De Raad oordeelde dat de rapportages van de verzekeringsartsen deugdelijk waren en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat. De Raad zag geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad wees tevens op artikel 8:47 van Pro de Awb, dat het benoemen van een deskundige aan de rechter toekent. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd op 12 augustus 2009 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.