ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2006 vond een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaats, waarna het UWV besloot de uitkering per 4 januari 2007 in te trekken omdat appellante geschikt werd geacht voor gangbare arbeid.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen dan vastgesteld. Ook de arbeidskundige beoordeling achtte de rechtbank voldoende gemotiveerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV het Verzekeringsgeneeskundig protocol aspecifieke lagerugpijn niet correct had toegepast.
De Raad overwoog dat appellante onvoldoende had gespecificeerd op welke wijze het protocol was geschonden en dat het UWV een nadere toelichting had gegeven waaruit geen strijd met het protocol bleek. De Raad was het eens met de rechtbank dat de functies medisch geschikt waren voor appellante. Omdat het UWV pas in hoger beroep een adequate toelichting gaf op de belastbaarheid, vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.