ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1330 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou bedragen. De rechtbank Groningen heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit onderschreven.

In hoger beroep betwist appellante de medische beoordeling en stelt dat zij de geduide functies niet kan uitvoeren. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter het oordeel van de rechtbank dat het besluit rust op een deugdelijke medische grondslag. Appellante heeft geen nieuwe objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen.

De Raad acht de geselecteerde functies passend bij de medische beperkingen van appellante en wijst haar grief af. Eventuele verslechteringen na de peildatum blijven buiten beschouwing. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/1330 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 januari 2008, 07/684 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 26 juli 2006 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 mei 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij is het niet eens met de medische beoordeling en meent voorts dat zij de geduide functies niet kan uitvoeren.
4. Het oordeel van de Raad.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit rust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Aan appellantes eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. Eventuele verslechteringen in de gezondheidstoestand van appellante na de in geding zijnde datum van 26 juli 2006 dienen bij de beoordeling van het onderhavige geding buiten beschouwing te blijven.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In de diverse arbeidsdeskundige rapportages is een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen. De grief van appellante dat zij niet in staat is tot het vervullen van de voor haar geselecteerde functies bouwt voort op het hiervoor besproken – voor onjuist te houden – betoog dat er meer beperkingen voor appellante zouden moeten worden aangenomen. Deze grief slaagt daarom niet.
4.3. Gelet op het bovenstaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009.
(get.) H. Bedee.
(get.) M.D.F. de Moor.
EV