ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4382

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4177 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering vervolgingsslachtoffer wegens gebrek aan duurzame verbondenheid met Nederland

Appellant, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juni 2006 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd afgewezen door de Pensioen- en Uitkeringsraad omdat appellant niet voldeed aan de eisen van nationaliteit en woonplaats, en er geen sprake was van een klaarblijkelijke hardheid die toepassing van de wet zou verhinderen.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Raadskamer bevoegd is om in uitzonderlijke gevallen personen die niet voldoen aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten toch gelijk te stellen aan vervolgingsslachtoffers indien anders sprake zou zijn van een klaarblijkelijke hardheid. Deze bevoegdheid is discretionair en vereist een zorgvuldige afweging.

In het geval van appellant werd geoordeeld dat hij geen hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlandse samenleving heeft. Zijn diensttijd van twee jaar in het KNIL was onvoldoende om deze verbondenheid aan te tonen. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet onredelijk was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan hechte en duurzame verbondenheid met Nederland.

Uitspraak

08/4177 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (Indonesië) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 16 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 maart 2008, kenmerk BZ 47268, JZ/B60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering.
1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 6 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant weliswaar vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de tevens in de Wet gestelde eisen met betrekking tot nationaliteit en woonplaats en voorts geen klaarblijkelijke hardheid aanwezig is geacht om de Wet niet toe te passen.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de in het eerste lid van artikel 3 van Pro de Wet gestelde eisen van nationaliteit en woonplaats, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad dient na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.
2.2. Verweerster hanteert bij het gebruik van vorenbedoelde bevoegdheid in een geval als dat van appellant een richtlijn met de kern dat er sprake moet zijn van een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlandse samenleving. In het geval van appellant heeft verweerster terecht het standpunt ingenomen dat van een dergelijke - sterke - verbondenheid geen sprake is. De omstandigheid dat appellant twee jaar in het KNIL heeft gediend is onvoldoende om tot de hier noodzakelijke verbondenheid te kunnen komen.
2.3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit de terughoudende rechterlijke toets doorstaan en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
3. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J.Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD