ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H.G. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens gegrond vermoeden van niet-naleving informatieplicht
Appellant, sinds 1978 arbeidsongeschikt met een WAO-uitkering, werd in 1994 onderwerp van een fraudeonderzoek waarbij bleek dat hij mogelijk onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt over zijn inkomsten uit werkzaamheden als directeur van schoonmaakbedrijven.
Het UWV schortte in 2003 de uitkering op grond van artikel 50 van Pro de WAO wegens een gegrond vermoeden dat appellant zijn verplichtingen niet was nagekomen. Diverse bezwaar- en beroepsprocedures volgden, waarbij eerdere besluiten deels werden vernietigd vanwege onduidelijkheden over de toepassing van kortingsartikelen en de periode waarop deze betrekking hadden.
In het bestreden besluit van 2006 handhaafde het UWV de schorsing wegens onvoldoende financiële gegevens over 1995. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet voldeed aan zijn informatieplicht. Appellant voerde hoger beroep aan met onder meer het argument van rechtsverwerking en dat hij wel voldoende financiële gegevens had verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant al sinds het fraudeonderzoek op de hoogte had kunnen zijn van het belang van de financiële gegevens over 1995 en dat het UWV bevoegd was om opnieuw te beslissen. Gezien het frauderapport en verklaringen van appellant zelf bestaat een gegrond vermoeden dat hij geen recht had op de volledige uitkering. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart de aangevallen uitspraak van de rechtbank stand te houden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schorsing van de WAO-uitkering wegens gegrond vermoeden van niet-naleving van de informatieplicht.