ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3441

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2503 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag

Appellante ontving sinds 16 april 2001 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 31 oktober 2006 in, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij psychisch meer beperkt is en dat een onafhankelijk medisch deskundige en psychiatrisch onderzoek noodzakelijk waren. Tevens voerde zij aan slechts in een aangepaste deeltijdfunctie te kunnen werken. De Raad oordeelde dat deze argumenten geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevatten en dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig en juist was.

De Raad vond geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen en stelde vast dat appellante haar stelling over werken in een aangepaste deeltijdfunctie onvoldoende had onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens een juiste medische beoordeling door het UWV.

Uitspraak

08/2503 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2008, 07/1714 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft de Raad op 22 mei 2009 nog een brief gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Schravesande.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante ontving sedert 16 april 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 31 oktober 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.
3. Bij besluit van 29 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 augustus 2006 ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat zij psychisch meer beperkt is, dat de rechtbank het advies van een onafhankelijke deskundige had moeten inwinnen, dat het Uwv psychiatrisch onderzoek had moeten laten verrichten en dat zij slechts in een aangepaste deeltijdfunctie zal kunnen werken.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
6.2. De verwijzing door appellante naar de bevindingen van verzekeringsartsen van het Uwv in voorgaande jaren kan haar niet baten, omdat ter toetsing voorligt de vraag of aan de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 31 oktober 2006 een juiste medische beoordeling door het Uwv ten grondslag ligt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit het geval is. De onderzoeken van de verzekeringsartsen van het Uwv, die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, zijn op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen van appellante heeft de Raad in de gedingstukken niet aangetroffen en zijn door appellante, bijvoorbeeld door verwijzing naar informatie van haar behandelende artsen, in beroep noch in hoger beroep naar voren gebracht. Met de voorhanden informatie en hetgeen appellante in bezwaar naar voren heeft gebracht heeft het Uwv geen aanleiding hoeven zien om een psychiatrische expertise in te winnen.
6.3. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. Tot een verdergaande motivering was de rechtbank niet gehouden. Ook de Raad heeft, gelet op hetgeen boven is overwogen, geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige.
6.4. Appellante heeft haar stelling dat zij slechts in een aangepaste deeltijdfunctie zal kunnen werken niet onderbouwd, zodat deze stelling niet kan afdoen aan de juistheid van de beoordelingen door het Uwv en de rechtbank.
6.5. Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
JL