Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1248 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken causale relatie invaliditeit

Appellant heeft in april 2007 een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant weliswaar door oorlogsgeweld was getroffen, maar geen blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit had opgelopen die verband hield met dat oorlogsgeweld.

De Raad baseerde zich op medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, die concludeerden dat de psychische klachten van appellant niet het niveau van invaliditeit bereikten en dat lichamelijke klachten zoals schouder-, hart- en darmproblemen niet in causaal verband stonden met het oorlogsgeweld. Een verder medisch onderzoek werd niet noodzakelijk geacht.

De Raad vond het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zag geen aanleiding om het oordeel van verweerster te betwijfelen. Ook de door appellant aangevoerde gegevens boden geen grond om het besluit te wijzigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gehandhaafd.

Uitspraak

08/1248 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 2 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 november 2007, kenmerk BZ 8047, JZ/D70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer, [naam broer], en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft in april 2007 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen.
1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 11 september 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (internering in het gemeentehuis in Depok tijdens de zogenoemde Bersiap-periode) maar dat hij ten gevolge van dat oorlogsgeweld geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
2. De Raad moet antwoord geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
2.1. Het standpunt van verweerster is gebaseerd op adviezen van een tweetal genees-kundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Die adviezen zijn tot stand gekomen op basis van het door de arts R.J. Roelofs in augustus 2007 verricht medisch onderzoek. Deze arts concludeerde dat er geen sprake is van psychopathologie en dat de beperkingen vanwege aanwezige psychische symptomen niet zodanig zijn dat er sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet. De schouder-, hart- en darmklachten van appellant en zijn suikerziekte achtte deze arts niet in causaal verband staan met het door appellant meegemaakte oorlogsgeweld. In bezwaar is dit oordeel nader onderbouwd door geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg. Een nader medisch onderzoek is niet opportuun geacht.
2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 2.1 genoemde adviezen voldoende voorbereid en gemotiveerd. Weliswaar was ten tijde van de advisering in bezwaar nog geen informatie uit de behandelende sector ontvangen (de huisarts reageerde aanvankelijk niet), maar de vóór het bestreden besluit door verweerster ontvangen informatie van de huisarts werpt geen ander licht op de reeds aanwezige medische gegevens. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopings-punt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt, zoals onder 1.2 is weergegeven. Er zijn ook van de zijde van appellant geen gegevens ingediend die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De psychische klachten (nachtmerries in een zeer lage frequentie en een licht verhoogde prikkel-baarheid) bereiken niet het niveau van invaliditeit, de schouderklachten hebben blijkens de stukken pas rond het 40e jaar tot medische begeleiding aanleiding gegeven, zodat een relatie met een val uit een boom tijdens de Bersiap-periode (overigens niet geverifieerd) niet aanwezig is te achten. Ook de hartklachten zijn pas op 54 jarige leeftijd ontstaan, 48 jaar na de oorlog, en de darmklachten nog later, zodat ook ten aanzien van die klachten terecht is aangenomen dat het causale verband met het oorlogsgeweld waarmee appellant destijds is geconfronteerd ontbreekt.
2.3. De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding om appellant te volgen in zijn grief dat verweerster een verderstrekkend medisch onderzoek had moeten laten uitvoeren.
3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD