ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3363
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering weduwe op grond van feitelijke duurzame scheiding
Appellante diende een aanvraag in voor een periodieke uitkering als weduwe van haar echtgenoot die in 2005 overleed. De aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat appellante duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot sinds 1972, wat volgens artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) betekent dat zij niet als weduwe kan worden aangemerkt.
Appellante voerde aan dat het huwelijk nooit formeel was ontbonden en dat de uitkering als compensatie moest dienen voor niet betaalde alimentatie. De Raad stelde echter vast dat voor de toepassing van artikel 1a van de WUV de feitelijke situatie bepalend is en niet de juridische status van het huwelijk.
De Raad concludeerde dat de afwijzing van de uitkering terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat zij duurzaam gescheiden leefde en daardoor geen recht heeft op de weduwe-uitkering.