ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen voor gehuwde vrouw vóór 1 november 2004
Appellante, woonachtig in Marokko en geboren in 1923, vordert toekenning van een AOW-pensioen vanaf haar 65e verjaardag in 1988. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende haar echter pas met ingang van 1 november 2004 een AOW-pensioen toe met een korting van 64%, gebaseerd op gewijzigde internationale verdragsartikelen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij niet voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden van de AOW en het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV) voor de periode vóór 1 november 2004.
In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden, maar de Raad sloot zich aan bij de rechtbank en oordeelde dat appellante niet verzekerd was op grond van de AOW en het NMV. De Raad benadrukte dat het NMV, dat geen eigen pensioenrecht voor gehuwde vrouwen kende vóór 1 november 2004, voorrang heeft boven de nationale AOW-regeling. Het beleid van de Svb om vóór die datum een hoger totaalpensioen binnen het gezin uit te keren, gaf appellante geen zelfstandig recht op pensioen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door H.J. Simon, in aanwezigheid van griffier M. Pijper, op 9 juli 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd; appellante heeft geen recht op AOW-pensioen vóór 1 november 2004.