ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering met ingang van 9 mei 2006 in te trekken, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van een onafhankelijke psychiater, R. Graveland, volgde die stelde dat appellante ondanks haar genderdysforie in staat is tot arbeid.
In hoger beroep heeft appellante haar eerdere bezwaren herhaald, met name dat de Functionele mogelijkhedenlijst onvoldoende rekening houdt met haar beperkingen en dat de geschiktheid van de functies onvoldoende is gemotiveerd. De Raad overweegt dat de nadere stukken tijdig zijn ingediend en geaccepteerd door het UWV.
De Raad hecht doorslaggevende waarde aan het oordeel van de onafhankelijke deskundige Graveland, die appellante als redelijk evenwichtig en zonder psychische problematiek beschouwt en geen belemmering ziet voor arbeidsparticipatie. De Raad volgt de vaste rechtspraak dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.
Gezien het ontbreken van nieuwe medische informatie en het oordeel dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante liggen, bevestigt de Raad het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering blijft van kracht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.