ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1982

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4151 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ongeschiktheid arbeid en toepassing Ziektewet bij chronische vermoeidheid en migraine

Appellant meldde zich ziek vanwege hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid en werkte als fulltime conciërge. Het UWV oordeelde dat appellant vanaf 17 juli 2006 niet meer wegens ziekte ongeschikt was voor zijn arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen vanwege het ontbreken van medische onderbouwing.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten, migraine en vermoeidheid onvoldoende werden meegewogen, met name de energetische beperkingen die volgens hem een verminderde arbeidsduur rechtvaardigen. De Raad overwoog dat de Standaard verminderde arbeidsduur niet van toepassing is bij een Ziektewet-beoordeling, waarvoor het criterium is of appellant zijn laatstelijk verrichte arbeid kan verrichten.

De verzekeringsarts concludeerde dat appellant energetische beperkingen heeft en zware fysieke en mentale inspanning moet vermijden, maar geschikt is voor het lichte werk als conciërge. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dit oordeel na dossieronderzoek en gesprek met appellant, waarbij geen psychiatrische stoornis werd vastgesteld. De Raad vond geen medische stukken die twijfel aan dit oordeel rechtvaardigen en oordeelde dat appellant zich bij migraine-aanvallen ziek kan melden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van appellant ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet ongeschikt is voor zijn werk als conciërge en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

08/4151 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 mei 2008, 07/1126 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen C. van Nood.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 21 februari 2005 ziek gemeld voor zijn werk als conciërge bij de [werkgever] in verband met klachten van hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid. Aan dit dienstverband is op 1 juli 2005 een einde gekomen.
1.2. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij op en na 17 juli 2006 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid als fulltime conciërge.
1.3. Bij het besluit van 8 januari 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat het op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts een voldoende grondslag vormt voor het bestreden besluit en dat appellant het standpunt dat hij zijn werk als conciërge niet kan en mag verrichten niet met medische gegevens heeft onderbouwd.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten en klachten van vermoeidheid, migraine, hoofdpijn en duizeligheid. De energetische beperking van appellant staat er volgens appellant - gelet op de Standaard verminderde arbeidsduur - aan in de weg dat hij zijn arbeid in de volle omvang van 38 uur kan verrichten. Bovendien zorgt de migraine ervoor (2 tot 3 maal per maand voor 3 dagen) dat hij niet 38 uur kan werken.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In het geval van appellant is dat het werk van fulltime conciërge.
4.3. Het standpunt van appellant dat er gelet op de Standaard verminderde arbeidsduur vanwege zijn energetische beperkingen voor de verzekeringsarts een indicatie bestaat hem in uren beperkt te achten deelt de Raad niet. Deze Standaard is van toepassing bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en niet zoals in het onderhavige geval van een ZW-beoordeling waarbij als criterium geldt het in artikel 19 van Pro de Ziektewet opgenomen begrip “zijn arbeid”.
4.4. De Raad overweegt voorts dat de verzekeringsarts op basis van diens onderzoeksbevindingen heeft aangenomen dat er energetische beperkingen zijn in verband met de gestelde chronische vermoeidheid en dat als gevolg van de hoofdpijnklachten zware fysieke inspanning en ook geestelijke druk, mentale inspanning vermeden dienen te worden. De verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor zijn arbeid als conciërge aangezien dit licht fysiek en psychisch weinig belastend werk betrof. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens het dossier bestudeerd met daarin de informatie van de GGZ-behandelaar J.B. Steemers van 6 juni 2006. Daarin is onder meer aangegeven dat volgens appellant de medicatie heeft geholpen om de migraine enigszins te verminderen zo niet te stabiliseren en dat appellant nu alleen nog een migraineaanval krijgt wanneer hij zich erg druk maakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant voorts gesproken en geobserveerd en is na heroverweging tot de conclusie gekomen dat het oordeel van de verzekeringsarts juist is. De bezwaarverzekeringsarts legde een relatie tussen de verslechtering van de medische situatie bij de ziekmelding en spanningen als gevolg van de uitkeringsperikelen en andere psychosociale problematiek. Van een psychiatrische stoornis of anderszins ziekte of gebrek was echter geen sprake. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Niet is gebleken dat appellant op de datum hier in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten. In geval van een migraine-aanval die leidt tot ongeschiktheid voor het werk, kan appellant zich ziek melden. De Raad heeft mede in aanmerking genomen dat appellant noch in eerste aanleg noch in hoger beroep medische stukken heeft ingebracht die twijfel zouden kunnen oproepen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen.
4.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
KR