ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongeschiktheid arbeid en toepassing Ziektewet bij chronische vermoeidheid en migraine
Appellant meldde zich ziek vanwege hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid en werkte als fulltime conciërge. Het UWV oordeelde dat appellant vanaf 17 juli 2006 niet meer wegens ziekte ongeschikt was voor zijn arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen vanwege het ontbreken van medische onderbouwing.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten, migraine en vermoeidheid onvoldoende werden meegewogen, met name de energetische beperkingen die volgens hem een verminderde arbeidsduur rechtvaardigen. De Raad overwoog dat de Standaard verminderde arbeidsduur niet van toepassing is bij een Ziektewet-beoordeling, waarvoor het criterium is of appellant zijn laatstelijk verrichte arbeid kan verrichten.
De verzekeringsarts concludeerde dat appellant energetische beperkingen heeft en zware fysieke en mentale inspanning moet vermijden, maar geschikt is voor het lichte werk als conciërge. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dit oordeel na dossieronderzoek en gesprek met appellant, waarbij geen psychiatrische stoornis werd vastgesteld. De Raad vond geen medische stukken die twijfel aan dit oordeel rechtvaardigen en oordeelde dat appellant zich bij migraine-aanvallen ziek kan melden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van appellant ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet ongeschikt is voor zijn werk als conciërge en verklaart het beroep ongegrond.