ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.G. Treffers
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen en aanvullende vergoeding voor outplacement
Appellante was sinds 1992 in dienst bij het Academisch Ziekenhuis Rotterdam en had meerdere periodes van arbeidsongeschiktheid. Vanaf 2004 ontstonden problemen met haar bereikbaarheid en werkhouding, wat leidde tot verstoorde arbeidsverhoudingen met haar leidinggevende en collega’s. Ondanks pogingen tot re-integratie en begeleiding naar extern werk, bleef de situatie gespannen, waarbij de werkgever uiteindelijk besloot tot ontslag per 1 februari 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vond dat zij in belangrijke mate schuld droeg aan de verstoorde relatie, waardoor een reguliere ontslaguitkering volstond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad concludeerde dat niet was aangetoond dat appellante overwegend schuld had aan de verstoorde arbeidsverhoudingen; integendeel, de werkgever had een aanzienlijk aandeel in het ontstaan en voortbestaan daarvan. De Raad oordeelde dat de werkgever niet in redelijkheid kon volstaan met alleen een reguliere ontslaguitkering en een bedrag van € 15.000,- voor outplacement, en kende een aanvullende vergoeding van € 10.000,- toe.
Daarnaast bevestigde de Raad de uitbetaling van openstaande vakantie-uren conform de CAO-UMC en veroordeelde de werkgever tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging bij ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen en de noodzaak tot adequate compensatie indien de werkgever mede schuld draagt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep kent appellante een aanvullende vergoeding van € 10.000,- toe naast de reguliere ontslaguitkering en bevestigt de uitbetaling van vakantie-uren.