ECLI:NL:CRVB:2009:BI9468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering en reële verdiencapaciteit
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% per 31 juli 2006. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen met een juiste berekening van het verlies aan verdiencapaciteit.
Het UWV heeft vervolgens een nieuw besluit genomen, dat appellant deels betwist in hoger beroep. Hij stelt dat zijn medische beperkingen, waaronder ernstige rugklachten, suikerziekte en hoge bloeddruk, zijn onderschat en dat hij ook psychisch extra kwetsbaar is. Tevens wijst hij op zijn volledige arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2007.
De Raad overweegt dat de beperkingen van appellant adequaat zijn meegenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst van november 2006, gebaseerd op uitgebreide medische informatie van behandelaars. De huisartsbrief en psychische klachten onderbouwen het standpunt van appellant onvoldoende. De volledige arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2007 is niet relevant voor de peildatum 31 juli 2006.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het UWV het nieuwe besluit op juiste wijze heeft gemotiveerd en uitgevoerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van 24 januari 2008 blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van 24 januari 2008 blijft in stand.