ECLI:NL:CRVB:2009:BI8409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid voor geselecteerde functies volgens WAO-beoordeling
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens spierpijnklachten, die in 2004 werd ingetrokken na herbeoordeling. Na ziekmelding in 2004 wegens pols- en handklachten verklaarde een verzekeringsarts haar per 30 juni 2006 hersteld voor minimaal één van de geselecteerde functies uit de WAO-beoordeling. Het UWV trok daarop het ziekengeld in. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit.
In hoger beroep stelde appellante dat de reumatologische informatie onjuist was geïnterpreteerd en dat het UWV haar aanspraken op grond van artikel 43a WAO had moeten onderzoeken. De Raad overwoog dat ongeschiktheid in de zin van de Ziektewet ontbreekt indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies. De bezwaarverzekeringsarts had zorgvuldig onderzoek verricht en rekening gehouden met medische informatie, waaronder de diagnose reumatoïde artritis die pas na de datum in geding werd vastgesteld.
De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat appellante per 30 juni 2006 geschikt was voor werk binnen de geselecteerde functies. Ook was het niet mogelijk om aanspraken op grond van artikel 43a WAO in dit Ziektewet-proces te betrekken. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van het ziekengeld bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van het ziekengeld per 30 juni 2006 bevestigd.