ECLI:NL:CRVB:2009:BI7103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en urenbeperking bij WAO-uitkering wegens vermoeidheidsklachten
Appellant, die sinds mei 2000 wegens rug-, vermoeidheids- en psychische klachten arbeidsongeschikt is, ontving een WAO-uitkering. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid per 28 april 2006 vastgesteld tussen 25% en 55%, waarbij geen urenbeperking werd opgelegd. Appellant stelde dat zijn beperkingen, met name door ME/CVS, onderschat waren en dat hij maximaal 10 tot 15 uur per week belastbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen een besluit van het UWV niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang, maar vernietigde het besluit van 13 juli 2007 wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 17 november 2005 juist waren en dat er geen medische gronden waren voor een urenbeperking. De medische situatie was sinds de eerdere beoordeling in 2003 niet gewijzigd.
De Raad wees het beroep van appellant af en bevestigde het besluit van 23 januari 2008, waarin het UWV de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% stelde zonder urenbeperking. Er was geen aanleiding voor een onafhankelijk medisch onderzoek en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, vielen binnen de vastgestelde medische beperkingen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd zonder urenbeperking.