ECLI:NL:CRVB:2009:BI6132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken van gronden ondanks machtiging
Appellant, het UWV, legde op 13 oktober 2005 correctie- en boetenota's op aan betrokkene naar aanleiding van een boekenonderzoek. Betrokkene diende op 31 oktober 2005 een pro forma bezwaarschrift in zonder gronden en zonder machtiging. Appellant verzocht vervolgens om binnen twee weken een machtiging en binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te dienen, met de waarschuwing dat bij uitblijven het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Betrokkene stuurde tijdig een machtiging, maar de gronden werden niet ingediend.
Op 4 januari 2006 verklaarde appellant het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de gronden. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde dit besluit, stellende dat het indienen van een machtiging impliceert dat het bezwaarprocedure voortgezet wil worden en dat nader motiveren was aangekondigd. In hoger beroep bestreed appellant dit oordeel.
De Raad overwoog dat het bezwaarschrift inderdaad geen gronden bevatte en dat betrokkene geen verzoek om uitstel had gedaan. Appellant had conform de Algemene wet bestuursrecht en het Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv betrokkene de gelegenheid gegeven het verzuim binnen vier weken te herstellen. De brief was aangetekend verzonden maar niet afgehaald en retour gekomen. De Raad oordeelde dat appellant bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en dat het indienen van een machtiging en de aangekondigde nadere motivering geen reden was om deze bevoegdheid niet te gebruiken. De eerdere verzoeken om overleg deden hieraan niet af.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijn.