ECLI:NL:CRVB:2009:BI5953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant voerde samen met zijn ex-partner, met wie hij een kind heeft, gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 26 juli 2005 een gezamenlijke huishouding, ondanks dat dit niet was gemeld aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het College stelde vast dat hierdoor ten onrechte bijstand was verstrekt aan de ex-partner en besloot deze bijstand in te trekken en de kosten mede van appellant terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verklaringen waarop het College zich baseerde niet betrouwbaar waren en dat terugvordering vanwege zijn financiële situatie onredelijk was. De Raad oordeelde dat de verklaringen van de ex-partner en haar zuster, ondersteund door een buurtonderzoek, voldoende bewijs vormen voor het bestaan van de gezamenlijke huishouding.
Verder stelde de Raad dat de financiële omstandigheden van appellant geen dringende reden vormen om van terugvordering af te zien, mede omdat de aflossingsregeling rekening houdt met de beslagvrije voet. De Raad bevestigde daarmee het besluit tot terugvordering en de intrekking van de bijstandsuitkering.
Uitkomst: De terugvordering van de bijstandskosten mede van appellant wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.