ECLI:NL:CRVB:2009:BI5373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder nieuwe feiten
Appellante was tot 30 mei 2004 werkzaam bij een werkgever en vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV op 22 juni 2004 geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep bij de rechtbank, waartegen geen hoger beroep werd ingesteld.
Op 15 augustus 2007 verzocht appellante het UWV om terug te komen van het oorspronkelijke besluit, maar dit verzoek werd op 28 augustus 2007 afgewezen en het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 12 december 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit laatste besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat een brief van 27 juni 2006 van een manager nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte, die het besluit tot verwijtbare werkloosheid onterecht maakten. De Raad oordeelde echter dat deze brief slechts een persoonlijke visie bevatte en dat de daarin genoemde feiten reeds bekend waren in eerdere procedures. Tevens is de eventuele onjuistheid van het oorspronkelijke besluit geen reden om terug te komen op het besluit zonder nieuwe feiten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.