ECLI:NL:CRVB:2009:BI4616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland
Appellant verzocht om een AOW-pensioen op grond van verblijf en arbeid in Nederland tussen circa 1968 en 1984. Hij stelde dat hij in Utrecht had gewerkt en overhandigde een briefhoofd van een werkgever ter ondersteuning. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verrichtte onderzoek bij pensioenfondsen, de gemeente Utrecht en de werkgever, maar vond geen bewijs van verzekering of verblijf.
De Svb weigerde het pensioen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk nadat de Svb het bezwaar had ingetrokken wegens gebreken in het onderzoek. In hoger beroep handhaafde de Svb de weigering na aanvullend onderzoek, waarbij wederom geen bewijs werd gevonden van werkzaamheden of inschrijving in Nederland.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij in Nederland woonde of werkte en dat hij niet als verzekerd kan worden aangemerkt. Het beroep tegen het laatste besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het AOW-pensioen wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland.