ECLI:NL:CRVB:2009:BI4214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering met vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 16 augustus 1999 vast te stellen op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na eerdere procedures en vernietigingen door de Raad, heeft het UWV opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard op basis van een arbeidskundig rapport dat voldoende geschikte functies aanwees.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische grondslag vaststaat en de toetsing zich beperkt tot de arbeidskundige onderbouwing. De Raad oordeelt dat het UWV geen besluit heeft genomen op 31 oktober 2000 en dat er voldoende medisch geschikte functies zijn. De grief over het niet gelijkstellen van het MULO-diploma met MAVO is reeds eerder verworpen.
De Raad constateert dat de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden met bijna drie jaar, wat volledig aan het UWV kan worden toegerekend. Daarom veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van immateriële schade van €3.000. Daarnaast worden de proceskosten van appellante toegewezen.
De uitspraak vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand en veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.