ECLI:NL:CRVB:2009:BI4167

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/1885 WUV + 08/1886 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding vakantiegeld bij ontslag huishoudelijke hulp volgens Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellanten, die een vergoeding voor huishoudelijke hulp op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 ontvingen, voerden beroep aan tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad om bij het ontslag van de huishoudelijke hulp wel de ontslaguitkering (severance pay) maar niet het vakantiegeld te vergoeden.

De Raad overwoog dat het maximale uurtarief voor huishoudelijke hulp in Israël, vastgesteld op NIS 35,-, inclusief het vakantiegeld is. Vergoeding van vakantiegeld bovenop dit tarief zou leiden tot overschrijding van het maximum. Verweerster stelde dat alleen premies sociale verzekering, belasting en severance pay boven het maximum worden vergoed, niet echter vakantiegeld, dat binnen het uurtarief is begrepen.

De Raad vond geen reden om aan deze uitleg te twijfelen en concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom konden de bestreden besluiten in stand blijven en werden de beroepen ongegrond verklaard.

De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die dit rechtvaardigen.

Uitkomst: De beroepen tegen het besluit om geen vakantiegeld te vergoeden worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/1885 WUV
08/1886 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellanten], Israël (hierna: appellanten),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 7 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen besluiten van verweerster van 13 december 2007, met kenmerk respectievelijk BZ 47170, JZ/C85/2007, en BZ 47174, JZ/C85/2007, (hierna: bestreden besluiten), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Appellanten zijn daar niet verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan ieder van de appellanten is in het verleden op grond van artikel 20 van Pro de Wet een vergoeding voor 4 uur huishoudelijke hulp per week toegekend. Deze vergoeding wordt berekend naar het in Israël geldende maximale uurtarief van laatstelijk NIS 35,-. In verband met het ontslag van de werknemer die deze hulp verzorgde hebben appellanten bij verweerster een declaratie ingediend betreffende een aan deze werknemer te betalen ontslaguitkering (pitzuim of severance pay) alsmede te betalen vakantiegeld (dmei havra’a of convalescence pay). Bij betalingsbeschikkingen van 1 mei 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten, heeft verweerster wel de onslaguitkering voor vergoeding in aanmerking gebracht maar niet het vakantiegeld. Wat dit laatste betreft is overwogen dat vergoeding zou betekenen dat het maximum uurtarief voor huishoudelijke hulp zou worden overschreden.
1.2. In bezwaar en beroep hebben appellanten betoogd dat werknemers in Israël een wettelijk recht hebben op vakantiegeld zodat de ingediende declaratie ook in dit opzicht op goede gronden berust.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Namens verweerster is bij verweerschriften en ter zitting, onder verwijzing naar hierover gehanteerde richtlijnen, nader toegelicht dat alleen premies sociale verzekering en belasting (loonheffing) die de betrokkene als werkgever verschuldigd is alsmede de in Israël verschuldigde severance pay boven het vastgestelde maximum uurtarief vergoed worden. Andere extra kosten, zoals vakantiegeld, worden geacht te kunnen worden betaald uit het maximum uurtarief, dat in Israël voor 2007 is gesteld op NIS 35,- terwijl het minimumuurloon in Israël toen NIS 19,95 bedroeg. Ook in Nederland is, aldus verweerster, bij de vergoeding van huishoudelijke hulp op grond van de Wet het vakantiegeld inbegrepen in het vastgestelde uurtarief.
2.2. Gelet op deze nadere toelichting, aan de feitelijke juistheid waarvan de Raad geen reden heeft tot twijfel, acht de Raad de handelwijze van verweerster niet in strijd met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van Pro de Wet. De Raad is op grond van hetgeen door appellanten is gesteld niet gebleken van bijzondere omstandigheden die verweerster ertoe hadden moeten brengen om in hun geval een uitzondering te maken.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de bestreden besluiten in rechte kunnen standhouden en de ingestelde beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD