ECLI:NL:CRVB:2009:BI3826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijkheid vermogenspositie
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 1999 tot 2006, maar het College van burgemeester en wethouders van Almere trok deze bijstand in vanwege het niet melden van een bankrekening en onroerend goed in Suriname. Het Internationaal Bureau Fraude (IBF) stelde vast dat appellanten over onroerend goed beschikten met een getaxeerde waarde van ruim €918.000, maar de exacte waarde was onzeker. Daarnaast had appellante een bankrekening met een saldo van ruim €10.000 niet gemeld.
Het College stelde dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet meer kon worden vastgesteld. Het College besloot tot intrekking van de bijstand vanaf 24 augustus 1999 en tot terugvordering van de onterecht ontvangen bedragen. Appellanten voerden aan dat het onroerend goed deel uitmaakte van een nalatenschap en dat zij niet beschikten over het vermogen, maar de Raad oordeelde dat zij dit onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Ook werd het bezwaar tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag afgewezen omdat er geen relevante wijziging in omstandigheden was aangetoond. De Raad veroordeelde appellanten niet in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over het vermogen.