ECLI:NL:CRVB:2009:BI3566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na juiste vaststelling mogelijkheden en beperkingen
Appellante ontving een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 19 juli 2004 in, omdat zij naar het oordeel van het UWV met haar mogelijkheden en beperkingen in staat was om passende functies te verrichten en daarmee een inkomen te verwerven dat wijst op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar haar bezwaren werden ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond en stelde vast dat de medische grondslag van de intrekking niet meer ter discussie staat, mede vanwege eerdere uitspraken van de Raad. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet kon werken vanwege haar medische problemen, maar de Raad oordeelde dat deze medische beoordeling definitief was en niet opnieuw ter discussie kon worden gesteld.
De Raad vond ook geen aanwijzingen dat de aan appellante geduide functies te zwaar waren, aangezien de belasting van deze functies binnen haar vastgestelde mogelijkheden en beperkingen bleef. Omdat appellante geen bezwaren had tegen de arbeidskundige grondslag van het besluit, concludeerde de Raad dat het UWV de WAO-uitkering terecht had ingetrokken. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd.