ECLI:NL:CRVB:2009:BI2246
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in januari 2007 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk was getroffen door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Appellant voerde in beroep aan dat hij wel degelijk door oorlogsgeweld was getroffen, onder meer door een mortierscherf die het dak van zijn huis doorboorde.
De Raad oordeelde dat algemene oorlogsomstandigheden en de gevangenschap van zijn vader niet kwalificeren als persoonlijk oorlogsgeweld onder de Wet. Ook het door appellant genoemde incident met de mortierscherf kon na zorgvuldig onderzoek niet worden bevestigd. Daarom kon het bestreden besluit in stand blijven en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag blijft in stand.