ECLI:NL:CRVB:2009:BI2240
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging in de zin van de Wet
Appellante, geboren in 1923 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2007 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en ook niet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat onder vervolging wordt verstaan handelingen van de vijandelijke bezettende macht die leiden tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen of gevangenissen. Appellante heeft geen vrijheidsberoving ondergaan, wat ook niet wordt betwist.
Verder oordeelt de Raad dat de door appellante genoemde zware leefomstandigheden en het moeten schuilen voor Japanners niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden die overeenkomen met vervolging zoals bedoeld in de Wet. Ook voldoet appellante niet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats. Daarom is het bestreden besluit terecht gehandhaafd en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Ten slotte wijst de Raad een vergoeding van proceskosten af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.