ECLI:NL:CRVB:2009:BI2239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6998 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WUV-uitkering wegens niet voldoen aan vervolgings- en nationaliteitsvereisten

Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in februari 2007 om een WUV-uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader tijdens de oorlog gevangen was genomen en overleden in een kamp.

Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant zelf geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals gesteld in artikel 3 van Pro de Wet. Appellant werd ook niet met de vervolgde gelijkgesteld op grond van artikel 3, tweede lid.

De Raad overwoog dat vervolging volgens de Wet inhoudt dat de persoon vrijheidsberoving heeft ondergaan door de vijandelijke bezetter vanwege Europese afkomst of gezindheid. Appellant had geen vrijheidsberoving ondergaan en voldeed niet aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten. Daarom was de weigering van de uitkering terecht en kon het besluit in stand blijven.

De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door H.R. Geerling-Brouwer op 2 april 2009.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

07/6998 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
16 oktober 2007, kenmerk BZ 47228, JZ/E60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, in februari 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om op grond van de Wet, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. In dat verband heeft appellant gesteld dat zijn vader in 1943 gevangen is genomen en uiteindelijk is overgebracht naar een kamp in Ambarawa, alwaar hij op 25 februari 1945 is overleden.
1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 13 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld nu niet is voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden van nationaliteit en woonplaats.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2 van Pro de Wet is bepaald dat, voor zover hier van belang, onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
2.2. Op grond van de stukken staat vast en wordt door appellant ook niet betwist, dat appellant geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.
2.3. Met betrekking tot verweersters weigering om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
2.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van Pro de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van even vermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Hieruit volgt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als Pro aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.
2.5. Nu appellant geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan en tevens vaststaat dat appellant niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.
2.6. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) I. Mos.
HD