ECLI:NL:CRVB:2009:BI2200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6288 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228 Rechtspositiebesluit WPO/WECArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging dienstverband op grond van opheffing van de betrekking en herplaatsingsinspanningen

Appellant was sinds 1988 werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage en werd per 1 augustus 2006 ontslagen wegens opheffing van zijn betrekking, conform artikel 228, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad overweegt dat appellant onvoldoende nieuwe gronden heeft aangevoerd in hoger beroep en onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Er is geen bepaling die vereist dat er meerdere functiebiedingen moeten zijn gedaan voordat tot ontslag kan worden overgegaan. De gemeente heeft voldoende inspanningen verricht om appellant binnen of buiten het gemeentelijk onderwijs te herplaatsen, waaronder het aanbieden van taalcursussen en een outplacementtraject.

Appellant slaagde niet voor het NT2-diploma, wat deelname aan scholing en herplaatsing bemoeilijkte. Ook werd een functie als conciërge aangeboden, maar appellant reageerde hier niet positief op. De Raad stelt vast dat de afvloeiingsvolgorde, waarbij de kortste diensttijd eerst wordt ontslagen, is nageleefd en dat het Sociaal Plan geen andere criteria zoals uitkeringsrechten kent.

De Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en bevestigt het bestreden besluit tot ontslag.

Uitkomst: Het ontslag van appellant wordt bevestigd omdat voldoende herplaatsingsinspanningen zijn verricht en de afvloeiingsvolgorde is nageleefd.

Uitspraak

07/6288 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 oktober 2007, 06/10016 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
De Haagse Scholen, Stichting voor primair en speciaal openbaar onderwijs, als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage (hierna: stichting)
Datum uitspraak: 9 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Kraus, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was van 27 oktober 1988 tot 1 april 2004 bij de gemeente ’s-Gravenhage werkzaam als [naam functie 1] (OALT) en daarna als [naam functie 2]. Per 1 augustus 2005 is de functie van appellant in het risicodragend deel van de formatie geplaatst.
1.2. Bij besluit van 21 april 2006 is het dienstverband van appellant met ingang van 1 augustus 2006 beëindigd op grond van opheffing van de betrekking als bedoeld in artikel 228, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC. Bij het bestreden besluit van 14 november 2006 zijn de bezwaren van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het ontslagbesluit heeft gegeven. Appellant heeft in zijn hogerberoepschrift volstaan met een verwijzing naar zijn beroepschrift in eerste aanleg en geen wezenlijk andere grieven aangevoerd. Nu de Raad de overwegingen, op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen, volledig onderschrijft, verwijst de Raad allereerst naar die overwegingen.
3.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant omtrent zijn grieven nog ter zitting naar voren heeft gebracht, voegt de Raad hieraan nog toe dat, anders dan appellant meent, er geen bepaling in de van toepassing zijnde rechtspositieregeling dan wel in het Sociaal Plan valt aan te wijzen op grond waarvan niet tot ontslag mag worden overgegaan zonder dat er een of meer keren een andere functie is aangeboden. Van belang is of er door de desbetreffende gemeentelijke dienst voldoende inspanningen zijn verricht om appellant binnen of buiten het (gemeentelijk) onderwijs te herplaatsen. In dit verband overweegt de Raad verder het volgende.
3.3. Een belangrijke voorwaarde, zowel voor het vinden van een andere betrekking als voor het kunnen deelnemen aan scholing of opleiding, is een voldoende beheersing van de Nederlandse taal. Appellant is daarom van gemeentewege enkele keren de gelegenheid geboden om het diploma NT2 (cursus Nederlandse taal) te behalen, waarin hij uiteindelijk niet is geslaagd. Dit betekent dat appellant niet alleen niet in aanmerking kon komen voor de functie van onderwijsassistent, maar het heeft er - onder meer - ook aan in de weg gestaan dat appellant kon deelnemen aan een door hem gewenste ICT-opleiding, welke overigens opleidde tot een functie die bij het openbaar onderwijs van de gemeente ’s-Gravenhage niet voorkwam. Vervolgens is ook de mogelijkheid aan de orde geweest dat appellant zou worden aangesteld als conciërge, maar omdat appellant daarop niet direct positief heeft gereageerd, is deze kans aan hem voorbijgegaan. Tenslotte is ook het outplacementbureau United Restart ten behoeve van appellant ingeschakeld. Met de rechtbank is de Raad dus van oordeel dat er van gemeentewege voldoende is gedaan om voor appellant een nieuwe arbeidsplaats te vinden.
3.4. Voor de Raad staat voldoende vast dat bij het ontslag van appellant niet in strijd is gehandeld met de in acht te nemen afvloeiingsvolgorde. Blijkens het geldende Sociaal Plan is het criterium bij afvloeiing de diensttijd bij het - Nederlandse - onderwijs, waarbij degene met de minste diensttijd het eerst wordt ontslagen. Niet is gebleken dat er algemeen schoolmedewerkers in dienst zijn gehouden met een kortere diensttijd dan appellant. De omstandigheid dat appellant geen uitkeringsrechten bij werkloosheid heeft die voortduren tot zijn pensioendatum, hetgeen bij andere functionarissen wellicht wel het geval is, is in dit verband niet van belang, nu het Sociaal Plan er niet in voorziet dat dit ook als criterium voor afvloeiing in aanmerking zou moeten worden genomen.
4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M. Lammerse.
HD