ECLI:NL:CRVB:2009:BI1790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld op grond van de Ziektewet na beoordeling WAO-maatstaf arbeid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker en heftruckchauffeur, viel uit wegens psychische klachten en verslavingsproblematiek en ontving aanvankelijk geen WAO-uitkering omdat hij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. Na een nieuwe ziekmelding in 2005 weigerde het UWV ziekengeld toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de WAO-maatstaf arbeid als maatstaf hanteerde en het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig achtte.
In hoger beroep stelde appellant dat hij tijdelijk zijn oude werkzaamheden had hervat en dat zijn medische beperkingen werden onderschat. De Raad overwoog dat de rechtbank het beroep onrechtmatig zonder nadere zitting had afgedaan, wat tot vernietiging van het vonnis leidde. De Raad bevestigde dat de maatstaf arbeid de aan appellant in het kader van de WAO voorgehouden functies betreft en dat medisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor een wezenlijk andere situatie.
De Raad verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van 6 juli 2006 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het latere besluit van 13 december 2006 ongegrond. De zaak werd zonder terugwijzing afgedaan en appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van ziekengeld wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens procedurefout.