ECLI:NL:CRVB:2009:BI1222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid op datum in geding
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en keukenhulp, meldde zich ziek wegens lichamelijke en later ook psychische klachten. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij op de datum in geding, 25 oktober 2000, geschikt werd geacht voor haar eigen werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die appellante onderzocht en concludeerde dat zij een ernstige persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken had, maar op de datum in geding niet volledig arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef dit oordeel, stellende dat de belasting van het werk de belastbaarheid van appellante niet overschreed.
Appellante betoogde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten, maar de Raad vond geen aanleiding het oordeel van de deskundige en de bezwaarverzekeringsarts te verwerpen. De Raad benadrukte dat alleen de arbeidsgeschiktheid op de datum in geding werd beoordeeld en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Appellante kan zich bij verslechtering van haar gezondheid later opnieuw tot het UWV wenden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante op de datum in geding geschikt was voor haar eigen werk.