ECLI:NL:CRVB:2009:BI1206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake AOW-pensioen en proceskostenvergoeding
Appellant had een AOW-pensioen toegekend gekregen van de Sociale verzekeringsbank (Svb), aanvankelijk 2% van het volledige pensioen vanwege 49 niet-verzekerde jaren. Na bezwaar en een nieuw besluit werd dit verhoogd tot 14% van het volledige pensioen.
Appellant trok zijn beroep bij de rechtbank in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees dit af wegens onvoldoende specificatie en bewijs van de kosten.
In hoger beroep richt appellant zich op de hoogte van het AOW-pensioen en betwist dat hij recht heeft op een hoger percentage, maar de Raad stelt vast dat het hoger beroep alleen kan gaan over de proceskostenvergoeding die door de rechtbank is beoordeeld.
Omdat de grieven niet op het oordeel van de rechtbank zien, verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 april 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de grieven niet zien op het oordeel van de rechtbank.