ECLI:NL:CRVB:2009:BI1013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bijstand ondanks verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Appellant kreeg een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht van 1 april 2001 tot 1 april 2006. Hij vroeg bijstand aan vanaf 14 november 2005, maar wilde dat deze met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2001 zou ingaan. Het College van B&W Rotterdam wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit en appellant ging in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de WWB bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht ontstaat, maar niet vóór de datum van aanvraag of melding bij het CWI. Afwijking is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden. Het enkele feit van een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning is volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid.
Het College hanteert beleid waarbij terugwerkende bijstand kan worden verleend als blijkt dat in de betreffende periode niet in noodzakelijke kosten van bestaan is voorzien, bijvoorbeeld door schulden met terugbetalingsverplichting. Appellant kon echter niet aannemelijk maken dat hij dergelijke schulden had, omdat de schuldbekentenissen geen concrete terugbetalingsverplichting bevatten en hij nog geen betalingen had gedaan.
De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen en bevestigde het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.