ECLI:NL:CRVB:2009:BI0632

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6442 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenvergoeding op basis van forfaitaire bedragen in bestuursrechtelijke uitkeringszaak

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een aansluitende uitkering en na meerdere besluiten en bezwaarprocedures werd uiteindelijk aan haar bezwaren tegemoetgekomen. Zij trok het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe op basis van de forfaitaire bedragen genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellante stelde dat vanwege de gebrekkige deskundigheid van het UWV zij hogere kosten had moeten maken voor rechtsbijstand en verzocht om vergoeding van het volledige bedrag.

De Raad overwoog dat afwijking van de forfaitaire bedragen alleen in bijzondere omstandigheden mogelijk is, bijvoorbeeld bij uitzonderlijk hoge kosten door gebrekkige informatieverstrekking. De Raad vond echter dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een afwijking rechtvaardigen.

Daarmee bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek van appellante tot een hogere proceskostenvergoeding af. Tevens werd overwogen dat geen gronden aanwezig waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De proceskostenvergoeding wordt bevestigd op basis van de forfaitaire bedragen in het Besluit proceskosten bestuursrecht zonder afwijking naar hogere kosten.

Uitspraak

07/6442 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 oktober 2007, 05/595 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het bestuur van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard Oost/Vijfherenlanden, (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2009. Appellante is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV te Heerlen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft bij besluit van 22 juni 2004 aan appellante met ingang van 1 juni 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Na bezwaar is appellante bij besluit van 24 september 2004 met ingang van 1 juni 2004 ook een bovenwettelijke WW-uitkering toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een aansluitende uitkering. Het Uwv heeft het bezwaar gegrond verklaard en meegedeeld dat het besluit van 24 september 2004 zal worden aangevuld.
1.2. Appellante heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van de aanvulling op het besluit. Het Uwv heeft bij besluit van 23 februari 2007 alsnog de aansluitende uitkering toegekend. Daarna heeft appellante de hoogte van het bovenwettelijk dagloon bestreden. Het Uwv heeft hangende beroep bij brief van 12 juni 2007 het besluit van 23 februari 2007 nader gemotiveerd en het vastgestelde bovenwettelijk dagloon gewijzigd. Bij brief van 4 september 2007 heeft Loyalis, als uitvoerder van de bovenwettelijke uitkering, namens het bestuur meegedeeld zich met het besluit van 23 februari 2007, zoals dat is gewijzigd bij brief van 12 juni 2007, te kunnen verenigen en het besluit te bekrachtigen. Het bestuur is daarmee volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen.
1.3. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante het beroep ingetrokken nu volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Gelijktijdig met de intrekking van het beroep heeft appellante verzocht om een veroordeling in de proceskosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling uitgesproken. De kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 966,-, als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank was van oordeel dat niet is gebleken dat appellante nog andere kosten heeft moeten maken die voor vergoeding op grond van het Bpb in aanmerking komen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat aan appellante het griffierecht wordt vergoed.
3.1. Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank om slechts te veroordelen tot een proceskostenvergoeding op basis van de forfaitaire bedragen genoemd in het Bpb. Omdat de uitkerende instantie keer op keer niet in staat bleek de uitkering juist vast te stellen, was zij genoodzaakt een juridisch adviseur in te schakelen. Appellante verzoekt dan ook om tot vergoeding van het volledige noodzakelijkerwijs gemaakte bedrag aan proceskosten over te gaan. Het bestuur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
4.1. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van Pro het Bpb.
4.2. De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.
4.3. Ter zitting van de Raad heeft appellante nogmaals toegelicht dat het gebrek aan deskundigheid bij het Uwv ertoe heeft geleid dat zij kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken tot uiteindelijk een totaal bedrag van € 3.273,90. De overige kosten heeft zij niet berekend en zijn niet in geding. De Raad is van oordeel dat hier geen bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven nopen.
4.5. Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD