ECLI:NL:CRVB:2009:BI0605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en juiste vaststelling belastbaarheid bij visuele en psychische beperkingen
Appellante, sinds 1993 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten, kreeg een WAO-uitkering van 80-100%. In 2004 werd haar arbeidsongeschiktheid herzien tot 55-65% op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en arbeidsdeskundige beoordeling. In 2005 en 2006 volgden nieuwe beoordelingen naar aanleiding van gezondheidswijzigingen, waarbij het UWV oordeelde dat geen sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij het medische oordeel van verzekeringsartsen en een door de rechtbank ingeschakelde psychiater volgde. In hoger beroep stelde appellante dat haar visuele en psychische beperkingen onderschat waren en dat het UWV onvoldoende had toegelicht waarom zij de geselecteerde functies kon vervullen.
De Raad liet een oogarts als deskundige rapporteren, die de belastbaarheid bevestigde mits adequate werkplekopstelling en brilgebruik. Ook stelde de Raad vast dat het UWV pas na verzoek van de Raad de arbeidskundige toelichting had gegeven. De Raad vernietigde beide besluiten en de bijbehorende uitspraken, maar liet de rechtsgevolgen van het eerste besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak, inclusief een beoordeling van de registratie van de verzekeringsarts.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en beveelt een nieuwe beoordeling met proceskostenveroordeling.