ECLI:NL:CRVB:2009:BH7649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5019 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beëindiging ziekengeld na 104 weken

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda die het beroep tegen de beëindiging van het ziekengeld per 12 juni 2006 ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de vaststelling van de einddatum van het recht op ziekengeld na een periode van 104 weken ongeschiktheid.

De Raad overweegt dat het recht op ziekengeld over de periode van 14 juni 2004 tot 1 oktober 2004 buiten de omvang van het geding valt. Het primaire en bestreden besluit hebben betrekking op de beëindiging van het ziekengeld na het verstrijken van de 104 weken, zoals bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet.

Aangezien appellant erkent dat de rechtbank de einddatum van het recht op ziekengeld terecht heeft vastgesteld op 12 juni 2006 en het UWV vanaf 14 juni 2004 ziekengeld heeft uitbetaald, ontbreekt het aan een procesbelang bij een beslissing op het hoger beroep. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na het verstrijken van de maximale periode van 104 weken ziekengeld.

Uitspraak

07/5019 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 juli 2007, 06/6025, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2. Bij het bestreden besluit van 20 oktober 2006 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juni 2006, waarbij het ziekengeld van appellant is beëindigd per 12 juni 2006, door het Uwv ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de eerste dag van ongeschiktheid tot werken 14 juni 2004 is en dat deze datum bepalend is voor de aanvang van het tijdvak van 104 weken, zoals bepaald in artikel 29, derde en vijfde lid, van de Ziektewet (ZW). De rechtbank is van oordeel dat de datum van beëindiging van de aanspraak op ziekengeld door het Uwv terecht is vastgesteld op 12 juni 2006. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat een eventueel recht op ziekengeld in de periode van
14 juni 2004 tot 1 oktober 2004 niet valt binnen de omvang van het geding.
4. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank de einddatum van appellants ZW-uitkering terecht heeft vastgesteld op 12 juni 2006. Appellant kan zich evenwel niet met deze uitspraak verenigen omdat de rechtbank volgens appellant niet heeft onderkend dat het primaire besluit en het bestreden besluit niet alleen bepalend zijn voor de einddatum, maar ook voor de ingangsdatum voor het recht op ziekengeld.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een eventueel recht op ziekengeld over de periode 14 juni 2004 tot 1 oktober 2004 valt buiten de omvang van dit geding. Het rechtsgevolg van het besluit van 19 juni 2006 en het bestreden besluit houdt in het beëindigen van de aanspraak op ziekengeld nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid is verstreken, zoals bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW. Nu appellant heeft erkend dat de rechtbank het einde van het tijdvak van 104 weken terecht heeft vastgesteld op 12 juni 2006, terwijl overigens uit het verweerschrift in de beroepsfase blijkt dat met ingang van 14 juni 2004 ziekengeld aan appellant is betaald, betekent dit dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.
6. Het hoger beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. De Raad acht geen temen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
KR