ECLI:NL:CRVB:2009:BH7649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beëindiging ziekengeld na 104 weken
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda die het beroep tegen de beëindiging van het ziekengeld per 12 juni 2006 ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de vaststelling van de einddatum van het recht op ziekengeld na een periode van 104 weken ongeschiktheid.
De Raad overweegt dat het recht op ziekengeld over de periode van 14 juni 2004 tot 1 oktober 2004 buiten de omvang van het geding valt. Het primaire en bestreden besluit hebben betrekking op de beëindiging van het ziekengeld na het verstrijken van de 104 weken, zoals bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet.
Aangezien appellant erkent dat de rechtbank de einddatum van het recht op ziekengeld terecht heeft vastgesteld op 12 juni 2006 en het UWV vanaf 14 juni 2004 ziekengeld heeft uitbetaald, ontbreekt het aan een procesbelang bij een beslissing op het hoger beroep. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na het verstrijken van de maximale periode van 104 weken ziekengeld.