ECLI:NL:CRVB:2009:BH7160

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3174 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid ondanks medicijngebruik

Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV besloot dat appellant vanaf 9 januari 2006 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn angst- en paniekstoornissen, spanningsklachten en medicijngebruik, en verwees naar medische stukken, waaronder een brief van zijn huisarts.

De Raad overwoog dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en toereikend was. De artsen concludeerden dat appellant geen ernstige psychiatrische stoornis had en dat het gebruik van Seroxat (Paroxetine) niet leidde tot ongeschiktheid voor zijn arbeid. De brief van de huisarts en andere medische gegevens betroffen een periode na de datum van het besluit en waren daarom niet relevant.

De Raad bevestigde dat de maatstaf voor arbeid de laatstelijk feitelijk verrichte functie als productiemedewerker was. Gezien het medisch onderzoek en de motivering van het UWV was het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Dordrecht werd bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de beëindiging van het ziekengeld per 9 januari 2006 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/3174 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 april 2007, 06/725,
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Appellant was tot 16 april 2004 werkzaam als productiemedewerker bij [naam werkgever] voor 40 uur per week. Bij brief van 31 augustus 2005 heeft hij zich ziekgemeld vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW).
2.1. Bij besluit van 13 januari 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij op 9 januari 2005 (lees 2006) niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld.
2.2. Bij het bestreden besluit van 6 april 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2006 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep stelt appellant zich, samengevat, op het standpunt dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn angst- en paniekstoornissen, spanningsklachten en medicijngebruik. Daarnaast is de rechtbank volgens appellant ten onrechte voorbij gegaan aan de informatie van zijn huisarts van 15 juni 2006. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verschillende medische stukken overgelegd.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
5.3. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Bovendien geldt dat bij ziekmelding uit de WW in beginsel de laatstelijk voor het ontslag verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid dienen te worden aangehouden. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of appellant ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid de functie van productiemedewerker bij [naam werkgever] voor 40 uur per week als maatstaf geldt.
5.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest en dat het Uwv zijn standpunt dat appellant op juiste gronden op en na 9 januari 2006 geschikt is geacht voor zijn arbeid toereikend heeft gemotiveerd.
5.5. De ZW-arts I. Frenko heeft appellant in verband met zijn ziekmelding onderzocht en heeft de medische voorgeschiedenis van appellant in zijn beoordeling betrokken. In de rapportages van 15 november 2005 en 5 januari 2006 heeft Frenko aangegeven dat appellant niet (langer) onder specialistische behandeling is voor zijn klachten, Paroxetine (Seroxat) gebruikt, lichte spanningsklachten heeft en dat bij appellant geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. Bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan heeft in haar rapportage van 28 maart 2006 gemotiveerd aangegeven dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de conclusie van Frenko. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat het gebruik van Seroxat niet leidt tot ongeschiktheid voor zijn arbeid. Ten aanzien van de brief van de huisarts van 15 juni 2006 onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 18 juli 2006 dat de gegevens in die brief de toestand van appellant ver na de datum in geding betreffen en daarom niet relevant zijn voor het bestreden besluit. Hetzelfde geldt voor de overige medische gegevens die appellant heeft ingebracht.
5.6. Hetgeen onder 5.4. en 5.5. is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen de beëindiging van ziekengeld per 9 januari 2006, terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen temen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
GdJ