ECLI:NL:CRVB:2009:BH6186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing aanvalsfrequentie ziekte van Ménière
Appellant, voormalig assistent installateur/loodgieter, meldde zich ziek met klachten passend bij de ziekte van Ménière. Het UWV stelde vast dat appellant beperkingen ondervindt, maar wel belastbaar is voor arbeid. Op basis van medische en arbeidskundige rapporten weigerde het UWV een WAO-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de aanvalsfrequentie van de ziekte eenmaal per week was, waardoor hij niet kon werken.
De rechtbank vroeg een deskundige KNO-arts om advies. Deze bevestigde de diagnose, maar stelde dat de frequentie van de aanvallen niet ondubbelzinnig was vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat de aanvallen daadwerkelijk wekelijks voorkwamen en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de deskundige de frequentie niet uitsloot en dat het niet aan hem was om dit nader te onderbouwen. De Raad stelde vast dat de medische gegevens onvoldoende basis boden voor de stelling van appellant. Ook de arbeidskundige grondslag was voldoende. Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad zag geen aanleiding om partijen in de proceskosten te veroordelen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 maart 2009 door voorzitter Riphagen en leden Hoogenboom en Bedee.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.